Vanmiddag profiteerde ik van het zalige zonnetje om mij in het park te installeren met het The Namesake van Jhumpa Lahiri, het laatste boek voor Engelse Letterkunde dit semester. Zoals de titel suggereert is het centrale thema van het boek namen en de betekenis ervan. Gogol, een jongeman van Indische afkomst maar geboren en opgegroeid in Amerika, heeft een hekel aan zijn naam en laat die, wanneer hij oud genoeg is, veranderen naar Nikhil. Later in zijn leven komt hij meer te weten over de reden van zijn voornaam, en gaandeweg raakt hij meer in de war en weet hij niet meer goed of hij zich nu Gogol voelt of toch meer Nikhil. Een mooi verhaal, niet echt iets voor bovenaan je to read-lijstje maar toch de moeite waard. Toen ik het boek uit had, zat ik wat te mijmeren over bijnamen en koosnaampjes en dergelijke.
Toen ik nog een klein Greetje was, noemden mijn ouders mij soms Louiseke of Gertrudeke (vandaar de naam van mijn eerste computer, eerste kotfiets en eerste smartphone). Elkaar noemen ze ventje en vrouwtje (spreek uit op z’n West-Vlaams). Mijn tante en nonkel noemen elkaar dan weer pietje. Ik word wel vaker Greetje genoemd, maar nooit op dezelfde manier waarop mijn oma het uitsprak, met nog een soort secundair woordaccent op de laatste lettergreep. Een drietal vrienden noemen mij soms Greetie (mijn favoriet, denk ik
). Mijn ouders noemen hun ouders mama en papa, maar zo noemen ze ook elkaars ouders (hun schoonouders dus), iets waar ik vroeger niet bij stilstond maar waarvan ik me nu realiseer dat zoiets niet vanzelfsprekend is. In het middelbaar noemden twee van mijn vriendinnen en ik elkaar Casey, Stacey en Tracy (toen we overschakelden op Zwöds werd dat Cösö, Stöcö en Tröcö – stop met lachen, we waren zestien).
En zo zijn er nog voorbeelden genoeg.
Het voelt een beetje gek om dat hier zo neer te schrijven, want ook al kan iedereen die het wil die namen opvangen op straat of waar dan ook, ze voelen precies toch ergens een beetje privé. Gek hé, en gek ook hoeveel er achter zo’n koosnaampje schuil kan gaan, hoeveel meer betekenis ze kunnen dragen dan een gewone doopnaam, waarmee je ten slotte toch al veel langer rondloopt en waarmee je je identificeert. Vroeger vond ik mijn naam niet leuk, want kleine kinderen zijn meedogenloos en een ongebruikelijke naam is in de lagere school meer dan eens een aanleiding tot uitlachen. Maar toen ikzelf en iedereen rond mij wat volwassener werd begon ik me al meer Greet te voelen. Dat ik als ik mezelf voorstel in de helft van de gevallen duidelijk moet maken dat het Greet met twee e’s is en dus niet met ie, dat deert me niet echt. Nu vind ik het net fijn dat mijn naam een tikkeltje specialer is, dat ik zelf geen andere Greet ken, dat buitenlanders begod niet weten hoe ze aan de uitspraak moeten beginnen (hoewel ik moet toegeven dat één van mijn Engelstalige proffen de zachte g, tongpunt-r en eenklank ee al behoorlijk goed onder de knie heeft
). Het lijkt me echt niet fijn om Sofie of Tim of iets anders inspiratieloos te heten (no offence!)
Euh, ja, deze blogpost heeft eigenlijk geen doel of structuur of zo. Behalve dan dat ik jullie nu vertel dat dit de slotzin is.
(Dat, en het feit dat ik een nieuwe categorie aangemaakt heb: Taal. Ik speel met een paar ideetjes, geen idee of er iets van komt, jullie lezen het wel!)

).