Sinds vandaag ben ik met één van de interessantere vakken bezig, namelijk Algemene Taalwetenschap: Theoriën en Methodes. Zoals de naam van dat vak doet vermoeden geeft het een overzicht van een aantal van de belangrijkste taaltheorieën en methodes om aan taalwetenschap te doen. Taalkunde is mijn dada, dus in tegenstelling tot de letterkundige tegenhanger van dit vak, Algemene Literatuurwetenschap, gaat dit erin als zoete koek. Laten we hopen dat het examen even vlot gaat.
Doorheen deze en andere cursussen worden voorbeelden in allerlei talen gebruikt om bepaalde theorieën te illustreren. Zo kwam ik er vorig jaar achter dat er talen zijn die maar twee woorden hebben om kleur aan te duiden (iets als ‘donker’ en ‘licht’), iets wat wij ons met onze tientallen kleurbenamingen (denk aan appelblauwzeegroen) niet kunnen inbeelden. Er zijn talen die compleet andere grammaticaregels hebben. Wij Nederlandstaligen denken bijvoorbeeld dat Latijn veel naamvallen heeft, maar dat is buiten talen gerekend die tot in de 40 naamvallen gebruiken. Ook het aantal werkwoordstijden, woordsoorten, zinsdeelfuncties, … verschilt sterk van taal tot taal. En ook woordvorming gaat overal anders. Het Turks heeft woorden van tientallen lettertekens, het Chinees gebruikt één karakter per woord, het Japans gebruikt één karakter per lettergreep, … Sommige talen hebben geen leestekens. Sommige talen lees je van links naar rechts en van boven naar onder, sommige omgekeerd, sommige talen lees je zelfs in ‘zig-zag’: bovenaan rechts beginnen, de volgende regel van links naar rechts lezen, de regel daaronder opnieuw van rechts naar links, … Oh, en heel veel talen hebben uiteraard helemaal géén schrift.
Als je een beetje Frans, Engels en Duits spreekt, een beetje Latijn geleerd hebt en zelfs een vaag idee hebt van hoe Deens of Italiaans of Russisch in elkaar zitten, dan denk je, amai, wat verschillen sommige talen van elkaar. Maar nu ik in mijn cursussen voorbeelden tegenkom uit obscure talen die soms zelfs maar door één stam in het Amazonewoud gesproken worden, is er een ongelofelijk boeiende wereld voor mij opengegaan. Je kunt je amper voorstellen wat voor een variatie aan taaluitingen er in deze wereld bestaat.
En dat doet mij denken. Vanaf wanneer kunnen we over een taal spreken? Naamvallen blijken overbodig als zinsdeelfuncties ook door woordvolgorde kunnen aangegeven worden. Kleurbenamingen, iets wat ik tot voor kort vanzelfsprekend vond, zijn blijkbaar toch ook niet zo essentieel. Woordenschat hoeft niet oneindig te zijn. Een schrift is niet noodzakelijk, talen zijn al talen als ze enkel gesproken en niet geschreven worden. Maar hoever kun je een verzameling regels die samen een taal vormen reduceren? Hoe weinig elementen heeft een taal nodig om een ‘volwaardige’ taal te zijn? En als een taal inboet op het ene, moet het dan altijd compenseren met iets anders, of kunnen sommige dingen ook gewoon niet voorkomen in een taal, zonder gevolgen voor de duidelijkheid ervan?
Boeiend hé. Ik krijg dit alvast niet uit mijn hoofd de eerstkomende maanden.



Met heel veel dank aan 
